Het opnemen van een vleugel of piano

Een vleugel of piano opnemen is niet per se ingewikkeld, maar er zijn wel een aantal dingen waar je rekening mee moet houden voordat je met de opname begint. Lukraak een paar microfoons neerzetten en op de rode knop drukken levert gegarandeerd een teleurstellend resultaat op.
In dit blog leg ik uit hoe je een vleugel kunt opnemen. Het opnemen van een piano werkt nagenoeg hetzelfde. Er zijn verschillende manieren om dat te doen. De ene manier is niet per se beter dan de andere. Bovendien hangt het er ook van af wat voor soort opname je wilt bereiken.
Ik ontkom er niet aan om opnamejargon te gebruiken maar dat wordt dan in begrijpelijke taal toegelicht.

 

Vleugel

 

Een vleugel is een instrument met een breed dynamisch- en frequentiebereik. De laagste toon van een piano heeft een frequentie van 27,5 Hz, de hoogste toon een bereik van 3520 Hz (dit geldt voor vleugels met 88 toetsen, waarbij de A van het 4e octaaf is gestemd op 440 Hz, dit is bijna altijd het geval). De microfoon moet in staat zijn om dit hele frequentiebereik zuiver op te nemen zonder zogeheten clipping.

Clipping van geluid

 

Dynamisch bereik is de verhouding tussen de grootste en de kleinste mogelijke waarde van een grootheid. Clipping van audio is het verschijnsel waarbij de pieken van het geluid worden afgekapt omdat het dynamisch bereik wordt overschreden. Je hoort dan een overstuurd, vervelend krakend geluid. Een vleugel kan zowel fluisterzacht (pianissimo) als donderend hard (fortissimo) worden bespeeld. De microfoon van je smartphone heeft voldoende frequentiebereik maar een beperkt dynamisch bereik: het verschil tussen heel hard en heel zacht spelen wordt snel te groot voor deze microfoon. Zodra hij dit verschil niet meer kan hanteren, is clipping van audio onafwendbaar. Daarom kun je een vleugel niet goed opnemen met een smartphone.

Type microfoon

 

Voor het opnemen van een vleugel worden veelal condensatormicrofoons gebruikt. De belangrijkste reden hiervoor is dat een condensatormicrofoon een dunner membraam heeft dan een dynamische microfoon. Dit resulteert in een groter frequentiebereik en minder kleuring van het opgenomen geluid. Aangezien een vleugel een fors dynamisch bereik heeft is de condensatormicrofoon ’the way to go’.
Ik werk zelf vooral met deze apparatuur, waarbij ik de Rode NT5 vooral voor klassieke muziek heel geschikt vindt.

Microfoonopstelling

 

Vooropgesteld: alles is een kwestie van smaak en persoonlijke voorkeur. Ik zeg niet wat je wel of niet zou moeten doen, maar benoem slechts mijn persoonlijke keuze en leg uit waarom ik daarvoor kies.

Bij het opnemen van een vleugel kies ik vrijwel altijd voor een A-B microfoonopstelling. Dit zijn twee identieke microfoons die evenwijdig aan elkaar op dezelfde afstand tot de geluidsbron staan opgesteld. Dit geeft een mooi stereobeeld.
Het opnemen met slechts één microfoon zou ik niet aanraden omdat dan bepaalde tonen harder worden opgenomen dan andere: één microfoon kan onmogelijk op álle snaren worden gericht.

Bij het opnemen van jazzmuziek kies ik vaak voor zogeheten close miking, waarbij de microfoons zeer dicht bij de geluidsbron staan (op het gietijzeren frame van de vleugel, of hangend boven de snaren). De geluidsbron wordt maximaal opgenomen en resulteert in een heldere opname met veel detail: je kunt de hamerkoppen horen die tegen de snaren slaan en je hoort ook het resoneren van de snaren als de dempers omhoog komen bij het indrukken van het sustain (rechter) pedaal. Je kunt de pianist soms zelfs horen ademen of neuriën.
Het omgevingsgeluid neem je hiermee nauwelijks tot niet op.

Bij het opnemen van klassieke muziek plaats ik de microfoons ongeveer 1,5 tot 2 meter naast het instrument met de vleugel geopend. Een vleugel met dichte klep geeft namelijk een aanzienlijk doffer, minder sprankelend geluid. De microfoons staan onder dezelfde hoek (dus parallel) geplaatst als de vleugelklep.
De microfoons voorzie ik vaak van een omnidirectionele capsule. Dat betekent dat de microfoon het geluid rondom opneemt en er dus meer akoestiek van de ruimte waar de opname plaatsvindt wordt vastgelegd, de zogeheten ambient sound.

Als er teveel akoestiek is en de nagalmtijd te lang (bijvoorbeeld in kerken of grote concertzalen), gebruik ik geen omnidirectionele maar een cardioïde capsule. Een cardioïde microfoon pikt alleen geluid aan de voorkant op, waarmee je achtergrondgeluiden en reflecties van de ruimte elimineert.

Opname

 

Ik kan het niet genoeg benadrukken: je belangrijkste verificatietool bij opnamewerk is het gebruikmaken van een goede koptelefoon. Als je microfoonopstelling gereed is, laat je iemand op de vleugel spelen terwijl jij luistert naar wat de microfoons vastleggen. Verander eventueel de positie van de microfoons door ze verder van de vleugel te zetten of juist dichterbij. Als het goed klinkt door de koptelefoon en er geen clipping optreedt, dan heb je een goed vertrekpunt.

Zorg ook voor een goed inputlevel: vraag de pianist de hardste passage uit zijn of haar op te nemen repertoire te spelen en let op de uitslagmeters van je recorder. Die mogen niet verder gaan dan ongeveer -5 dBFS. Zie je dat de meters richting de 0 dBFS gaan, dan moet je de input gain (hoe luid het signaal moet worden opgenomen, niet te verwarren met volume!) verlagen.
Maak niet de fout door de input gain teveel te verlagen. Je zult dan weliswaar geen clipping hebben, maar je neemt de opname dan te zacht op. En ook dat geeft problemen, want als je deze zachte opname in de editing versterkt tot het gewenste luisterniveau, dan trek je ook alle bij- en ruisgeluiden mee omhoog. Deze ‘noise’ is er nadien vrijwel niet meer uit te halen zonder ook de goede onderdelen van de opname te beschadigen.

Editing

 

Als de opname is afgerond moet je de opname met software bewerken.
Het voert te ver om alle mogelijkheden in dit blog te benoemen, dus ik noem alleen de basiselementen van de editing.

Als je de vleugel hebt opgenomen met twee microfoons, zul je twee geluidssporen (zogeheten waveforms) zien. Feitelijk zijn dit twee monosporen die gezamenlijk een stereospoor vormen.
Zorg ervoor dat elk spoor naar één speaker (eentje naar de linker, de ander naar de rechter) wordt gezonden. In de software wordt dit panning genoemd, hiermee kun je de plaats van het element in de mix bepalen. Bij de meeste recorders kun je dit vooraf al instellen, maar als dat niet kan of als je het vergeten bent te doen, dan zul je dat in deze fase van de editing alsnog in orde moeten maken.

De volgende stap is het openen van de equalizer om een zogeheten high-pass filter (hoogdoorlaatfilter) toe te passen. Dit filter geeft signalen door met een frequentie hoger dan een bepaalde afsnijfrequentie en het filter verzwakt signalen met frequenties lager dan een bepaalde afsnijfrequentie. In het geval van een vleugel zal het filter bij ongeveer 100 Hz moeten worden ingezet. Hiermee wordt het bombastische en nadreunende geluid van de lage bastonen opgeheven. Zonder dit filter is je opname niet gebalanceerd en onprettig om naar te luisteren: de bastonen zijn dan oververtegenwoordigd en maskeren het middenregister. Luister goed naar de opname om te bepalen bij welke frequentie je het filter precies wilt plaatsen, dit verschilt per instrument en ook per opnamelocatie.
Luister goed of je ongewenste bijgeluiden hoort in de opname. Het kan zijn dat er iets resoneert in de vleugel of dat bepaalde tonen te schel klinken. Met de equalizer kun je vaststellen op welke frequentie je dit ongewenste geluid hoort en deze frequentie vervolgens aanpassen.
Je kunt ervoor kiezen om naast een hoogpasseerfilter ook een low-pass filter (laagpasseerfilter) te gebruiken. Dit filter doet hetzelfde als het hoogpasseerfilter maar dan juist met hoge tonen: het filter snijdt frequenties boven de ingestelde waarde af. Het geluid wordt hiermee minder schel en wat doffer.

In de laatste fase kun je kijken of je nog wijzigingen wilt aanbrengen aan het zogeheten wet signal.
Een wet signal is een met effect bewerkt geluid. Dit effect kan invloed hebben op de dynamiek (bijv. een limiter), frequentie (bijv. een hoog- of laagdoorlaatfilter) of op tijd (bijv. galm, echo). Je kunt hiermee het geluid de gewenste ambiance sound geven of ervoor kiezen het geluid juist heel droog houden.
Een dry signal is een geluid of signaal zonder effect of aanpassingen, feitelijk het onbewerkte originele geluid. Deze twee gebruik je samen: een dry signal kun je zien als het fundament waarop je een wet signal bouwt.

Ik hoop dat dit blog je heeft geholpen aan het vinden van een goed vertrekpunt voor je opname. Mocht je vragen hebben of is er iets niet duidelijk, voel je altijd vrij om contact met me op te nemen, ik help je graag.